Posts tonen met het label Verhaal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Verhaal. Alle posts tonen

zaterdag 6 september 2008

In het duister

“Bam!”
“Wat was dat?” De man stopte abrupt zijn auto en stapte uit om te kijken wat er aan de hand was. Na dat 15e biertje was de alcohol echt naar zijn hoofd gestegen, maar wat hij nu zag, maakte hem op slag nuchter. In de gracht naast de weg lag iets dat op een fiets moest lijken. “Dit... dit kan niet,” dacht de man.
Het was vrijdagavond. De man was na een lange dag met zijn werkmakkers nog iets gaan drinken, maar algauw waren ze het uur en het aantal biertjes uit het oog verloren en was het al na twaalven toen hij richting huis reed. Één van zijn collega’s had nog voorgesteld hem thuis te brengen, maar dat hij snel geweigerd. Hij was niet dronken, of dat vond hij zelf toch niet.
“Die fiets moet hier al langer liggen, daar heb ik niet tegen gereden.” Het nog draaiende achterwiel van de in puin gereden fiets bewees het tegendeel. “Dit kan niet. Waar ligt dan…” hij durfde zijn gedachte niet af te maken. In plaats daarvan volgde hij de gracht wat verder in de richting van waar hij kwam. Het volgende beeld dat hij toen zag, zorgde ervoor dat hij moest kokhalzen. “Onmogelijk! Er was niemand op de weg, ik heb niets gezien!” De man wist niet wat te doen. Hij liep terug naar zijn auto en sloeg hard op zijn motorkap in de hoop zijn frustraties kwijt te geraken, het had geen effect. Op dat moment zag hij de gebroken voorlicht en de krassen op zijn motorkap.
“Ik droom, dit is allemaal een gewone enge nachtmerrie. Dit kan gewoon niet mogelijk zijn,” zei hij opnieuw tegen zichzelf. Toch wist hij dat dit werkelijk was en dat het geen nut had om zichzelf voor te liegen. Langzaamaan begon hij te beseffen wat er gebeurd was.“Ik moet hier weg,” ging er door zijn hoofd, “ze gaan me de bak ingooien!” Hij vluchtte zijn auto in en vertrok met volle snelheid.
Tot zijn verbazing lag zijn vrouw al te slapen. Hij wist dat hij de volgende dag een kruisverhoor zou krijgen. Maar deze volgende dag bleef lang weg, want de man deed geen oog dicht gedurende de hele nacht.
De volgende ochtend zat hij met zijn vrouw aan de ontbijttafel, de kinderen lagen nog te slapen. Om een gesprek te vermijden, nam hij de krant, maar zo gemakkelijk liet de vrouw zich niet afschepen. Ze begon vragen te stellen over waar hij de vorige avond was en waarom hij zijn gezin zo in de steek kon laten. Maar nog voor hij kon antwoorden, zag hij een artikel in de krant dat hem een wee gevoel bezorgde. Hij rende de kamer uit om in het toilet zijn maag leeg te kotsen. Zijn vrouw keek hem verbijsterd na en nam toen de krant. Het kleine artikel met als kop ‘DADER PLEEGT VLUCHTMISDRIJF NA AANRIJDEN MEISJE’, zag ze niet. De inhoud van het artikel was: deze nacht werd de 17-jarige Marianne R. aangereden. De dader is heeft vluchtmisdrijf gepleegd na het gebeuren, deze is nog steeds voortvluchtig. Als het slachtoffer meteen naar het ziekenhuis zou gebracht zijn geweest, zou zij het waarschijnlijk gehaald hebben. Dit is niet gebeurd.

Drie maanden later stond er in diezelfde krant: 45-jarige man pleegt zelfmoord. Hij liet een vrouw en twee kinderen achter. Er is geen reden bekend.

zondag 24 augustus 2008

Sprookje Bosnië

Toen we terugkwamen van Bosnië hadden we nog een dienst om kort onze reis voor te stellen. Elk team deed het op een andere manier. Wij, als Bosnisch team hebben onderstaand sprookje uitgebeeld:

Er was eens, niet zo heel lang geleden, een mooie prinses en een knappe prins. Beiden hadden een groot hart en ze wilden samen naar een ver land om daar mensen te helpen in de naam van de Koning.
Voordat ze vertrokken zochten ze zeven dwergen om mee te gaan op het grote avontuur.
Ze reden in en witte koets door vele bergen en dalen, vol gevaren. Soms werd de prins, die ook de koets bestuurde, bijna gek van de zeven kwetterende dwergen en zijn toekomstige vrouw, maar hij bleef volharden en zo won hij het respect van zijn metgezellen.
Na twee dagen zwoegen op de gevaarlijke wegen en een nachtje slapen in een prachtig kasteel, kwamen ze eindelijk aan in het verre land, ook wel Bosnië genoemd.
Al de eerste dag begonnen ze met het werk en gingen ze met de mensen van Banja Luka praten. Hoewel deze mensen soms eng overkwamen in hun korte broekjes en strakke T-shirts, stapte de groep over hun vooroordelen en gingen ze de mensen uitnodigen om te komen op de toverachtige avonden om elkaar en elkaars culturen beter te leren kennen.
Behalve dit gingen ze ook lieve, oude mensjes vrolijk maken in het bejaardentehuis en gingen ze samen knutselen met mensen die net iets anders zijn dan wij.
Ook gingen ze een bezoekje brengen aan het weeshuis, waar ze leuke spelletjes met de kinderen speelden en ze toverden een glimlach op hun gezichtjes. Dit deden ze ook op de kinderafdeling van het ziekenhuis. De ene ballon werd na de andere opgeblazen.
Behalve al deze dingen, gingen ze ook heerlijke lekkernijen uitdelen aan mensen die iets minder hadden dan wij. Als laatste hebben ze ook het huis van de Koning geschilderd.
Natuurlijk hadden de negen avonturiers ook wel eens vrije tijd, dan gingen ze zwemmen in de ijskoude rivier, leuke spulletjes verzamelen op de koopjesmarkt en de typische lekkernijen proeven van het verre land.
Ook hebben ze al hun wensen en dromen in een fles gestopt en deze in de rivier gegooid.
De zeven dwergen en het koninklijke paar hadden samen een mooie tijd in het verre land en hebben ze op de gezichten van vele mensen een glimlacht kunnen toveren. Zo werd de liefde van de Koning door deze negen, soms aparte, typetjes doorgegeven.
Ze leefden nog lang en gelukkig, in de wetenschap dat de Koning altijd bij hen is.

Einde

Enkele foto's (uitleg is wel niet nodig denk ik):

(kijk ook naar de foto op de achtegrond, op het grote scherm)

zaterdag 21 juni 2008

Prinses Leida

Er was eens een klein meisje, genaamd Leida. Dit kleine meisje was in armoede geboren. Haar moeder was gestorven toen Leida nog jong was. Ze woonde samen met haar vader in een klein huisje in een klein dorpje. Leida had niet veel, ze had geen mooie kleren om aan te trekken, geen boeken om te lezen, geen geld om iets te kopen. Het enige wat ze had, waren haar dromen. Haar grootste droom was om prinses te worden, om te wonen in een paleis en om een kast vol mooie jurken te hebben. Als zij prinses zou zijn, zou niemand nog in armoede leven. Ze zou zorgen dat iedereen had wat zijn hart begeerd en dat iedereen een gelukkig leven kon leiden. “Maar ah,” dacht ze dan elke keer, “welk meisje droomt nu niet om prinses te mogen zijn?” en ze ging terug verder met de sleur van elke dag.
Maar op een dag werd haar vader ziek en ook hij kwam te sterven. Leida bleef helemaal alleen achter. Er was niemand die voor haar kon zorgen. En zo kwam Leida op straat terecht. Elke dag ging ze zitten op de trappen van het dorpsplein, maar niemand merkte haar op. Zelfs de duiven op het plein zagen niet dat ze er was. En daar ging ze dan bedelen om wat eten of wat geld.
Leida was zo verdrietig, nu was ze alles kwijt: haar ouders, haar huis, alles. Zelf haar mooiste dromen begonnen te vervagen. Maar haar grootste en mooiste droom bleef hangen in haar hoofd. En net voordat ze ook deze droom zou vergeten, gebeurde er iets dat haar hele leven zou veranderen: er kwam een koning langs in het dorp. Het plein stond vol met mensen, iedereen stond te drammen en te duwen. “Wat gebeurt er?” vroeg Leida aan één van de toeschouwers. “De koning komt, kleine meid!” antwoordde deze. Maar Leida, die niet zo groot was, kon niets zien. Ze kroop tussen de mensen door om dichter te komen waar het allemaal te gebeuren viel. En daar zag ze een grote mooie koets. Een knecht deed het portier van de koets open, en er stapte een koning uit, gehuld in pracht en praal. Hij begroette de mensen en aaide kleine kinderen op hun hoofd. “Dit is mijn kans,” dacht Leida, “dit is mijn kan om prinses te worden!” Ze probeerde nog verder naar voor te geraken en probeerde de aandacht van de koning te trekken: “Koning, koning! Kom naar hier!” Maar de koning hoorde haar niet en de mensen ergerden zich aan deze kleine, vieze meid met kapotte kledij en duwden haar terug de massa in. Hoewel Leida niet opgaf, kon ze niet meer uit de massa geraken. Ze hoorde de portieren van de koets dichtslaan en de paarden vertrekken. “Het is te laat,” dacht ze verdrietig. De mensen gingen langzaam terug hun eigen kant uit en het plein liep leeg. Ze ging terug zitten op de trappen van het plein.

Maar wat Leida niet wist, was dat de koning haar wel gezien had, net voordat ze de massa werd ingeramd.
“Heb je dat meisje gezien?” vroeg de koning aan één van de knechten in de koets. Ondertussen reed het voertuig het dorp uit. “Oh, koning, er waren zoveel kinderen,” antwoordde de knecht. “Ja, maar dit meisje was speciaal. Ze was arm, dan kon je zo zien. Haar kledij was vuil en gescheurd en ze was heel erg mager, maar in haar ogen had ze iets hartverwarmend. Ik moet weten wie ze is.” De koning klonk zelfverzekerd van zijn stuk. “Maar hoogheid, dat is toch helemaal niet mogelijk. Dat kind is waarschijnlijk al verdwenen. U kunt het nooit meer terugvinden.” “Oh jawel, ik weet nog precies hoe ze eruit zag,” zei de koning, “dat gezichtje vergeet ik nooit meer. Ze had grote bruine ogen en mooie gouden krullen in haar haar.” “Wat wilt u dat we doen, sire?” vroeg één van de knechten. De koning antwoordde: “Zodra we aankomen in het paleis, moet je de bode terugzenden naar dit dorp en zeg hem dat hij alle meisjes met bruine ogen en blonde krullende lokken naar het paleis moet laten brengen. En zo gebeurde het. De bode ging terug naar het dorp en ging alle huizen langs om meisjes te zoeken met bruine ogen en blonde lokken. Maar wat de bode niet wist, was dat het meisje dat de koning zocht, niet in een huis woonde. Dus zo liep de bode het dorpsplein voorbij, zonder Leida op te merken. Drie meisjes had hij gevonden, die volstonden aan de beschrijving die hij gekregen had van één van de knechten.
De koning was verheugd om het mysterieuze meisje terug te zien, maar toen hij de drie meisjes, die de bode had meegenomen, aanschouwde, vulde zijn hart zich met teleurstelling: het mysterieuze meisje was er niet bij.
“Nee, nee, nee! Het meisje zit er niet bij,” zei de koning verdrietig. Hij stuurde de drie meisjes terug naar huis en gaf ze elk een cadeau mee.
“Ik ga haar zelf halen,” zei hij. “Maar hoogheid, dat kunt u toch niet maken. Iedereen zal je herkennen, je zult niet eens kunnen zoeken naar het meisje,” zei een knecht. “Ik zal me verkleden,” antwoordde de koning, “ik zal me verkleden als een zwerver. Niemand zal me herkennen.” De koning deed vuile kapotte kleren aan, maakte zijn gezicht vuil en ging terug naar het dorp. Hij hoefde niet lang te zoeken naar het meisje, want ze zat op haar gewoonlijke plaats.

Daar zat Leida, op het dorpsplein. Ze was zo ontzettend verdrietig. Haar laatste kans… verloren! Ze huilde, de tranen stroomden langs haar wangen. Maar opeens voelde ze een hand op haar schouder. Er kwam een man, een zwerver, naast haar zitten. “Hé, meisje, wat is er?” vroeg hij. “Oh meneer,” snikte ze, “ik weet niet meer wat ik moet doen. Ik kan nergens nog naar toe, ik heb niemand.” De zwerver bleef even stil. “Ga met me mee,” zei hij na een tijdje. “Met jou mee? Naar waar?” “Ik kan je helpen,” antwoordde de zwerver. Leida wist niet wat ze moest zeggen. Hoewel ze de man niet kende, zag ze iets rustgevend in zijn ogen, iets betrouwbaar, iets herkenbaar. “Ken ik jou?” vroeg Leida. Opeens zag ze het, het was de koning! “B – b – bent u de koning?” vroeg het meisje verlegen, “Wat doet u hier? Waarom bent u mij komen opzoeken?” “Ja, ik ben de koning,” antwoordde de zwerver, “ik zag je die andere dag, tussen al de mensen staan. Ik zag verdriet en tegelijkertijd hoop in je ogen. Ik moest weten wie die kleine meid was.” “Ik? Ik ben helemaal niemand…” “Je kunt mijn dochter worden!” “Uw dochter?” vroeg Leida aarzelend. “Ja, mijn dochter!” zei de koning, “Ikzelf heb geen kinderen. Dit land heeft een prinses nodig. Iemand die met het volk bezig is.” “Maar waarom? Waarom ik? Waarom niet iemand die rijk is?” “Stel geen vragen. Ik wil jou als mijn dochter, als mijn prinses. Jou, en niet iemand anders.”
Kon de droom van Leida toch nog uitkomen? Kon ze werkelijk prinses worden? Ze ging met de koning mee, naar het paleis. Daar kreeg ze nieuwe kleren, prachtige jurken. Ze mocht samen met de koning van een overheerlijke maaltijd eten. Het was zover, ze was prinses! De koning adopteerde haar en zo mocht Leida opgroeien in een koningsgezin. Ze werd eindelijk gelukkig. Ze werd ouder en het volk hield van haar. Ze zorgde dat niemand nog arm was in het land en dat iedereen gelukkig werd.

*** EINDE ***

Zo werd Leida prinses. Ook ik ben een prinses, en jij kunt ook prins of prinses zijn. Want God is een koning en wil ons als Zijn kinderen hebben. Hij is zelf naar de aarde gekomen, om ons te redden. Hij heeft zich laten vernederen, uiteindelijk zelf laten vermoorden! Gelukkig was/is Hij sterker dan de dood en is Hij terug opgestaan.
** BLESSED BE HIS NAME!!! **

maandag 16 juni 2008

De omgekeerde wereld

Een verhaal door prinses Mgli.
Met in de hoofdrollen:
Siba aka 'edele ros'
Minoes aka 'duistere draak'
Kraai aka 'schreeuwende arend'

Niet zo lang geleden werd mijn edele ros, Siba aangevallen door de duistere draak, Minoes:
Zo zat mijn edele ros (nu ja, edel is een groot woord, want eigelijk is Siba zo bang als een haas) op een warme lentedag te zonnen, maar opeens kwam die duistere draak uit het niets te voorschijn. Mijn paardachtig hondje (dat eerder lijkt op een wit vosje) schrok zich bijna dood en rende zo hard het kon. De duistere draak erachteraan. Omdat ik, prinses Mgli, ook buiten aan het zonnen was, kon ik dit, eigelijk amusante, schouwspel waarnemen en lachte ik me bijna krom. De eer van mijn ros was gebroken en hij liep dagenlang ongelukkig, al jammerend rond.
Maar vandaag proefde mijn, niet zo moedig, rosje zijn wraak, en zijn wraak was zoet! Terug zaten mijn ros en ik te zonnen en de draak kwam ons van een afstandje begluren. Maar toen gebeurde het onverwachtse: een schreeuwende arend kwam op deze duistere draak aangevlogen en nu was het zijn beurt om zich rot te schrikken. De draak spurtte miauwend weg, het huisje van de heks, Viv, binnen.
En zo werd op deze prachtige dag de eer van mijn edele ros hersteld!

zondag 15 juni 2008

De man aan de hemelpoorten

Er was eens een rijke en welvarende man. Toen hij na een prachtig leven aan zijn einde kwam, werd hij naar de poorten van de hemel gebracht. Toen hij daar aankwam, zag hij dat er niemand was. Ook zag hij dat de poorten van de hemel niet wijdopen stonden, zoals hij verwacht had. Nee, de grote, gouden hemelpoorten waren gesloten. De man riep, maar hij kreeg geen antwoord. Na nog enkele pogingen, ging hij op de rand van een wolk zitten. Hij dacht eraan hoe het er achter de poorten uit zou zien en hoe het eraan toe gaat daar. De tijd verstreek, maar niemand kwam opdagen of de poorten opendoen. Na een lange tijd dacht hij terug aan zijn leven op aarde. Hij had een mooi leven gehad, hij had een vrouw en kinderen gehad, een mooie job, auto, huis. Hij was gelukkig geweest. Hij had alles wat z’n hartje begeerde. Of toch bijna alles… Toen besefte hij dat hij nooit echt God gevolgd had. Hij geloofde wel in God en hij wist dat Jezus voor zijn zonden aan het kruis was gestorven, hij ging naar de kerk… maar eigelijk had hij nooit echt Gods wil gedaan, eigelijk luisterde hij nooit naar God en nam alles vanzelfsprekend aan. Hoewel hij rijk was, deelde hij niet altijd waar het kon, hij was best gierig en hij besefte dat hij zijn vrouw veel te weinig verwende en te weinig toonde aan zijn vrouw en kinderen dat hij hen graag zag. Ook bad hij veel te weinig en hij zag in dat hij wel meer dan één keer in de week stille tijd mocht houden.
De man dacht na, en merkte dat hij niet zo gelukkig was, dan dat hij zich voorhield. Hij miste God in zijn leven. Wat had hij spijt dat hij zo weinig tijd doorbracht met God. En nu… nu was het te laat. Nu stond hij daar, voor de poorten van de hemel, en hij kan niet eens binnen. Meer en meer drong het hem binnen wat er gebeurde. Hij kreeg een wee gevoel in zijn buik en de man begon te huilen. Eerst heel stil, maar even later stroomden de tranen over zijn wangen en hij huilde met hevige snikken. Hij wou dat hij zijn leven opnieuw kon doen, hij zou zoveel anders doen. Hij zou die arme man in zijn straat wat geld en kleren geven, hij zou zijn vrouw en kinderen elke dag met liefde en tederheid behandelen… hij zou bijna perfect zijn. Het speet hem zo, hij riep het uit: “HET SPIJT ME, GOD!!!”
Hij kon het niet meer aan en wou van de wolk springen, om in het duister te belanden. Maar, net op dat moment, voelde hij een hand op zijn schouder. Het was een warme, stevige hand, die hem tegenhield. De man draaide zich om en zag een man in een prachtig, wit gewaad staan. Hij straalde zo dat de man het warm kreeg vanbinnen. Het was Jezus!
“Kom,” zei Hij, maar de man richtte zijn blik op de grond. “Kom,” herhaalde Jezus, maar de man zei: “Hoe kan ik nu met U meekomen na alles wat ik misdaan heb op aarde? Ik heb U in de steek gelaten.” En de man draaide zich terug om. Opnieuw nam Jezus de man bij de schouders en zei: “Je zonden zijn vergeven. Ik heb met mijn bloed je schoongewassen! Mijn liefde voor jou is onvoorwaardelijk!”
De poorten van de hemel gingen geluidloos open en Jezus leidde de man naar binnen.

.